De Kalama Sutta is erg beroemd bij moderne Boeddhisten. Vooral deze ene beroemde regel is een van de meest gequoteerde uitspraken van de Boeddha:
"Kom dan, Kālāmas: Laat je niet leiden door geruchten, niet door horen zeggen, niet door traditie, niet door geschriften, niet door logische redeneringen, niet door logische gevolgtrekkingen, niet door het overwegen van redenen, niet door het na overpeinzen aanvaarden van een zienswijze, niet door waarschijnlijkheid, niet door de gedachte dat 'deze monnik is mijn leraar.'"
De reden waarom de Boeddha deze woorden sprak is dat zijn toehoorders (de Kalamas), net als wijzelf tegenwoordig, allerlei tegenstellende religieuze leringen hoorden. En zij twijfelden daardoor: Is er een hemel en hel of niet? Leiden slechte daden nu tot slechte gevolgen of niet?:
"Hierover nu, Eerwaarde, zijn wij onzeker en hebben wij twijfels: 'Wie van deze geëerde monniken en priesters spreekt de waarheid, en wie spreekt leugens?'"
Het antwoord van de Boeddha was dat hun twijfel begrijpelijk en geldig was: "Onzekerheid is in jullie ontstaan omdat er reden is voor twijfel."
Vervolgens geeft de Boeddha de Kalamas een lering die gericht is op iets wat belangrijker is dan geloven: de kwaliteit van het dagelijks leven: hoe leef je, en wat streef je na? De Boeddha moedigt zijn 'geloofkritische' toehoorders aan om zich in het bepalen van hun levenswijze niet te baseren op bronnen die buiten hunzelf liggen, en niet op de verschillende logische denkwijzen of op vermoedens betreffende de waarschijnlijkheid van iets. In plaats daarvan laat hij mensen vertrouwen in het eigen inzicht in wat goed en slecht is:
"Kālāmas, als jullie zelf weten dat: 'Deze dingen zijn onheilzaam; deze dingen zijn afkeurenswaardig; deze dingen worden bekritizeerd door de wijzen; wanneer men deze dingen aanvaart en uitvoert, leidt het tot nadeel en lijden': dan moeten jullie, Kālāmas, die dingen verlaten."
De Boeddha relateerd dit inzicht in wat goed en slecht is aan begeerte, haat en waanideëen: deze zijn zeker slecht. Iemand die die dingen in zich ervaart, zal daardoor immers een moord kunnen plegen, en kunnen stelen, liegen en vreemdgaan. Maar iemand die vrij is van begeerte, haat en waanideëen: die persoon moordt niet, steelt niet en liegt niet, en gaat niet vreemd. Daardoor leidt de afwezigheid van begeerte, haat en waanideëen volgens de Boeddha tot welzijn en geluk. En de Kalamas waren het daarmee eens.
Hierna geeft de Boeddha nog instructie over het leven met een geest vol liefde, mededogen, waardering en gelijkmoedigheid. Hij zegt dat iemand die aandachtig is en vrij is van begeerte, haat en waanideëen, zulk een liefdevolle geest zal hebben:
"Hij leeft met alles in de gehele wereld in elk opzicht doordrongen van een geest vol liefde: uitgestrekt, verheven, onbegrensd, vriendelijk en welwillend."
Tenslotte praatte de Boeddha nog een beetje over het geloven in dingen als hemel en hel, karma en wedergeboorte. Hij zegt dat of er nu echt een hemel en hel is of niet, niet echt uitmaakt voor wie geen begeerte, haat en waanideëen heeft: die persoon is er altijd zeker van dat het hem goed zal gaan. In elk van de volgende vier gevallen gaat het die persoon goed af:
#Als er een hemel en hel is, gaat hij naar de hemel want hij doet slechts goed en niets slechts.
#Als er geen hemel en hel is, dan leeft hij in het hier–en–nu gelukkig: zonder boosheid, zonder kwaadwillendheid, en zonder problemen.
#Als boosdoeners in de toekomst wel slechte gevolgen van hun daden zullen ondergaan, denkt hij: "Daar ik geen kwade daden verricht, hoe kan lijden mij dan treffen?"
#En als boosdoeners in de toekomst geen slechte gevolgen van hun daden zullen ondergaan, ziet de zuivere persoon dat hij in beide aspecten zuiver is: hij ontvangt geen slechte gevolgen (net als de boosdoener) maar hij doet ook niets slechts.
De Kalamas waren zeer blij met de lering van de Boeddha: zij werden lekenvolgelingen van hem.
Lees de Kalama Sutta
5 feb 2008
28 jan 2008
Het in Beweging Zetten van het Dhamma–Wiel
De Dhammacakkappavattana Sutta is de eerste en een van de belangrijkste leringen van de Boeddha, waardoor de eerste discipel (Kondañña) het basisniveau van Verlichting bereikte. Deze sutta wordt in vele kloosters vaak gereciteerd, soms wel dagelijks.
De sutta geeft een gedetailleerde beschrijving van de Vier Edele Waarheden, met haar drie rotaties (fasen) en twaalf toestanden (combinaties). De rotaties betreffende elk van de Vier Edele Waarheden zijn [1] dat men ze aanvankelijk slechts kent, [2] dat men vervolgens weet wat ermee te doen, en de laatste rotatie is [3] het feitelijk vervullen (uitvoeren) van de Edele Waarheden. Dus 4 Edele Waarheden, vermenigvuldigd met drie rotaties: dan krijgen we het nummer 4*3=12. Dus twaalf toestanden of combinaties. In de oude tradities van Indiase filosofie en rechtskunde, noemde men een lijst waarin men zo alle mogelijke combinaties van twee varianten achterelkaar opsomt, een 'wiel'. Vandaar waarschijnlijk de benaming van deze sutta: Dhammacakka betekent het Dhamma Wiel: het is een verwijzing naar deze lijst van 12 mogelijke toestanden. Het heeft daarnaast ook een meer bekende en krachtige symbolische betekenis: een Wiel van Waarheid dat in beweging gezet is en door niemand meer gestopt kan worden.
Tijdens het vertalen kwam ik er ook achter dat Edele Waarheid ook de betekenis van 'Edele Werkelijkheid' draagt: een werkelijkheid die veredelt, indien men ermee doet wat de Vier Edele Waarheden onderwijzen. Bijvoorbeeld de 'werkelijkheid van de oorzaak van lijden': die werkelijkheid (verlangen) dient men te verlaten, en als men dat dan doet wordt men Edel. Een andere mogelijke vertaling is overigens 'Werkelijkheid van de Edelen'. Deze alternatieve vertalingen heb ik niet echt helemaal in de vertaling op kunnen nemen, je moet er een keuze maken en ik heb voor een meer gangbare vertaling gekozen, die er echter wel een beetje naar aangepast is.
Een belangrijk aspect van deze sutta is natuurlijk het onderscheid van drie wegen: twee extreme wegen die niet naar geluk leiden, en een Middenweg die wel naar geluk leidt. Hier begon de Boeddha zijn leer mee: hij paste zijn lering aan aan zijn publiek, want de vijf monniken waren volgers van het extreme pad van zelfkwelling (zelfpijniging). Dus eerst moest hij hun duidelijk maken dat zij niet het juiste middenpad volgden, maar een extreem en pijnlijk pad.
Na zijn lering over de Edele Waarheden, vertelt de Boeddha aan de vijf monniken dat hij vroeger nooit beweerde Volledig Verlicht te zijn, maar dat hij dat nu wel doet omdat hij nu de Edele Waarheden grondig kent. Het laatste gedeelte van de sutta geeft een beschrijving van enkele bovennatuurlijke dingen die plaatsvonden toen een van de monniken door deze lering de Visie van Dhamma bereikte (de Dhamma zelf zag): de gehele godenwereld stond op zijn kop, alsof er zojuist een doelpunt gescoord werd... En ook die tienduizendvoudige wereldsysteem beving natuurlijk, en dat licht dat de grootsheid van de goden overtrof. Daar vertelden ze ons vroeger ook niets over bij godsdienstles...
Maar goed deze lering van Boeddha gaat natuurlijk niet over goden, en niet over het dienen van een god, en ook niet over hoe onmetelijk een licht was dat mischien zo'n 2500 jaar geleden scheen. Het gaat over de uitleg en praktijk van de Vier Edele Waarheden, die ons uitleggen wat lijden precies is en waar het vandaan komt, en hoe men lijden kan beeindigen en geluk kan behalen.
Lees de Dhammacakkappavattana Sutta
De sutta geeft een gedetailleerde beschrijving van de Vier Edele Waarheden, met haar drie rotaties (fasen) en twaalf toestanden (combinaties). De rotaties betreffende elk van de Vier Edele Waarheden zijn [1] dat men ze aanvankelijk slechts kent, [2] dat men vervolgens weet wat ermee te doen, en de laatste rotatie is [3] het feitelijk vervullen (uitvoeren) van de Edele Waarheden. Dus 4 Edele Waarheden, vermenigvuldigd met drie rotaties: dan krijgen we het nummer 4*3=12. Dus twaalf toestanden of combinaties. In de oude tradities van Indiase filosofie en rechtskunde, noemde men een lijst waarin men zo alle mogelijke combinaties van twee varianten achterelkaar opsomt, een 'wiel'. Vandaar waarschijnlijk de benaming van deze sutta: Dhammacakka betekent het Dhamma Wiel: het is een verwijzing naar deze lijst van 12 mogelijke toestanden. Het heeft daarnaast ook een meer bekende en krachtige symbolische betekenis: een Wiel van Waarheid dat in beweging gezet is en door niemand meer gestopt kan worden.
Tijdens het vertalen kwam ik er ook achter dat Edele Waarheid ook de betekenis van 'Edele Werkelijkheid' draagt: een werkelijkheid die veredelt, indien men ermee doet wat de Vier Edele Waarheden onderwijzen. Bijvoorbeeld de 'werkelijkheid van de oorzaak van lijden': die werkelijkheid (verlangen) dient men te verlaten, en als men dat dan doet wordt men Edel. Een andere mogelijke vertaling is overigens 'Werkelijkheid van de Edelen'. Deze alternatieve vertalingen heb ik niet echt helemaal in de vertaling op kunnen nemen, je moet er een keuze maken en ik heb voor een meer gangbare vertaling gekozen, die er echter wel een beetje naar aangepast is.
Een belangrijk aspect van deze sutta is natuurlijk het onderscheid van drie wegen: twee extreme wegen die niet naar geluk leiden, en een Middenweg die wel naar geluk leidt. Hier begon de Boeddha zijn leer mee: hij paste zijn lering aan aan zijn publiek, want de vijf monniken waren volgers van het extreme pad van zelfkwelling (zelfpijniging). Dus eerst moest hij hun duidelijk maken dat zij niet het juiste middenpad volgden, maar een extreem en pijnlijk pad.
Na zijn lering over de Edele Waarheden, vertelt de Boeddha aan de vijf monniken dat hij vroeger nooit beweerde Volledig Verlicht te zijn, maar dat hij dat nu wel doet omdat hij nu de Edele Waarheden grondig kent. Het laatste gedeelte van de sutta geeft een beschrijving van enkele bovennatuurlijke dingen die plaatsvonden toen een van de monniken door deze lering de Visie van Dhamma bereikte (de Dhamma zelf zag): de gehele godenwereld stond op zijn kop, alsof er zojuist een doelpunt gescoord werd... En ook die tienduizendvoudige wereldsysteem beving natuurlijk, en dat licht dat de grootsheid van de goden overtrof. Daar vertelden ze ons vroeger ook niets over bij godsdienstles...
Maar goed deze lering van Boeddha gaat natuurlijk niet over goden, en niet over het dienen van een god, en ook niet over hoe onmetelijk een licht was dat mischien zo'n 2500 jaar geleden scheen. Het gaat over de uitleg en praktijk van de Vier Edele Waarheden, die ons uitleggen wat lijden precies is en waar het vandaan komt, en hoe men lijden kan beeindigen en geluk kan behalen.
Lees de Dhammacakkappavattana Sutta
24 jan 2008
Anattalakkhana Sutta - Het Niet-zelf Kenmerk
De Anattalakkhana Sutta is de tweede toespraak die de Boeddha gaf na zijn verlichting. Hij gaf deze toespraak aan de groep van vijf monniken, in Sarnath, nabij Varanasi in India.
Deze toespraak vond plaats kort na zijn eerste toespraak (de Dhammacakkappavattana Sutta), en tijdens deze toespraak werden alle 5 de monniken die naar hem luisterden volledig verlicht.
De toespraak gaat over niet-zelf, (Pali: anatta, wat ook vertaald kan worden als: geen zelf, vrijheid van zelf, afwezigheid van zelf, zonder zelf). De Boeddha legt uit dat fysieke vorm (waaronder het lichaam) anatta is omdat we er soms ongemak en last van ondervinden. Als het lichaam echt van ons zou zijn, waarom zouden we dan ongemak of ziekte toelaten? Dat zouden we natuurlijk niet doen want dat is pijnlijk en onaangenaam. Dus de Boeddha zegt dat omdat het lichaam niet kunnen maken zoals we dat zelf willen (zonder pijn, ouderdom, dood, ziekte), het niet echt van onszelf is.
Hij legt verder uit dat omdat het lichaam veranderlijk is, het ook onbevredigend is: iets dat verandert, kan niet altijd aan onze wensen en verlangens voldoen. En omdat het lichaam zowel dus veranderlijk en onbevredigend is, kunnen we niet echt zeggen dat het werkelijk van onszelf is. Volgens de Boeddha is iets waar je geen volledige controle over hebt, niet echt van jezelf.
Deze uitleg geeft de Boeddha ook betreffende gevoelens, percepties, vormingen (intenties en wat daardoor gevormd wordt) en bewustzijn. Die zijn allen niet van onszelf, want we ondervinden er soms last van, en we kunnen ze niet maken precies zoals we willen. En ze zijn veranderlijk en onbevredigend: het is niet passend om dan te zeggen dat ze van onszelf zijn: ze zijn zonder zelf. De Boeddha moedigt ons aan om alles op de volgende manier te bezien: 'dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf'.
De Boeddha besluit de toespraak met de uitspraak dat een goed onderwezen edele discipel al deze dingen met juist inzicht overeenkomstig de waarheid beziet als: 'dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf'. Hij zal dan genoeg van alles krijgen, en passieloos worden. Wanneer hij passieloos is, wordt zijn geest bevrijd, en hij weet dat zijn geest bevrijdt is. Zo'n discipel beseft dan het volgende: 'Geboorte is ten einde, het religieuze leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen verdere toestand van bestaan.'
De monniken waren blij met deze toespraak: dat is wel te begrijpen, want ze bereikten er alle 5 verlichting door.
Lees de Anattalakkhana Sutta...
Deze toespraak vond plaats kort na zijn eerste toespraak (de Dhammacakkappavattana Sutta), en tijdens deze toespraak werden alle 5 de monniken die naar hem luisterden volledig verlicht.
De toespraak gaat over niet-zelf, (Pali: anatta, wat ook vertaald kan worden als: geen zelf, vrijheid van zelf, afwezigheid van zelf, zonder zelf). De Boeddha legt uit dat fysieke vorm (waaronder het lichaam) anatta is omdat we er soms ongemak en last van ondervinden. Als het lichaam echt van ons zou zijn, waarom zouden we dan ongemak of ziekte toelaten? Dat zouden we natuurlijk niet doen want dat is pijnlijk en onaangenaam. Dus de Boeddha zegt dat omdat het lichaam niet kunnen maken zoals we dat zelf willen (zonder pijn, ouderdom, dood, ziekte), het niet echt van onszelf is.
Hij legt verder uit dat omdat het lichaam veranderlijk is, het ook onbevredigend is: iets dat verandert, kan niet altijd aan onze wensen en verlangens voldoen. En omdat het lichaam zowel dus veranderlijk en onbevredigend is, kunnen we niet echt zeggen dat het werkelijk van onszelf is. Volgens de Boeddha is iets waar je geen volledige controle over hebt, niet echt van jezelf.
Deze uitleg geeft de Boeddha ook betreffende gevoelens, percepties, vormingen (intenties en wat daardoor gevormd wordt) en bewustzijn. Die zijn allen niet van onszelf, want we ondervinden er soms last van, en we kunnen ze niet maken precies zoals we willen. En ze zijn veranderlijk en onbevredigend: het is niet passend om dan te zeggen dat ze van onszelf zijn: ze zijn zonder zelf. De Boeddha moedigt ons aan om alles op de volgende manier te bezien: 'dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf'.
De Boeddha besluit de toespraak met de uitspraak dat een goed onderwezen edele discipel al deze dingen met juist inzicht overeenkomstig de waarheid beziet als: 'dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf'. Hij zal dan genoeg van alles krijgen, en passieloos worden. Wanneer hij passieloos is, wordt zijn geest bevrijd, en hij weet dat zijn geest bevrijdt is. Zo'n discipel beseft dan het volgende: 'Geboorte is ten einde, het religieuze leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen verdere toestand van bestaan.'
De monniken waren blij met deze toespraak: dat is wel te begrijpen, want ze bereikten er alle 5 verlichting door.
Lees de Anattalakkhana Sutta...
Abonneren op:
Posts (Atom)