26 mei 2008

Soetra Index

Ik heb wat tijd gestoken in het maken van een aantal indexen: een alfabetische index van soetras en een index van gelijkenissen in de soetras.

De alfabetische index bevat ook korte omschijvingen van de inhoud van de soetras. Ik hoop dat deze twee indexen nuttige toevoegingen zullen zijn voor de bezoekers van www.suttas.net.

24 mei 2008

De Dhammapada

De Dhammapada is een verzameling van 423 korte verzen, waarin diverse aspecten van de leer van de Boeddha beschreven worden. De verzen staan vaak op zichzelf, en men kan de Dhammapada daarom gewoon even kort op een willekeurige plaats inkijken voor inspiratie of uit nieuwgierigheid. Maar men kan ook een hoofdstukje lezen, waarin de verzen over een bepaald onderwerp gegroepeerd zijn.

Een aantal van de onderwerpen die in de Dhammapada aan bod komen zijn bijvoorbeeld: geluk, de wijze, waakzaamheid, het geliefde, boosheid, zichzelf, de wereld, en nog vele andere onderwerpen...

In deze vertaling van de Dhammapada is niet slechts de betekenis van de verzen naar het Nederlands vertaald, maar is ook getracht de verzen in goedlopend modern Nederlands te zetten, met een benadering van de stijl van de originele verzen in de taal Pali.

Lees de Dhammapada

7 apr. 2008

De Jivaka Sutta

De Jivaka Sutta gaat over Dokter Jivaka, die naar de Boeddha gaat en hem vraagt of hij en zijn monniken het vlees eten van dieren die voor hun zijn geslacht. De Boeddha zegt dat hij dat niet doet, en hij vertelt Jivaka dat hijzelf en zijn monniken vlees niet zullen eten indien zij zien, horen of vermoeden dat dat vlees afkomstig is van een dier dat voor hen is geslacht.

Alleen wanneer zij dit niet zien, horen en vermoeden, is dat vlees geschikt om gegeten te worden. Vervolgens beschrijft de Boeddha het leven van een monnik die leeft met een geest vol liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, waardering en gelijkmoedigheid, en geen enkel verlangen of wens heeft met betrekking tot zijn voedsel: hij eet wat hem wordt gegeven. De Boeddha vraagt vervolgens aan Jivaka of zo'n monnik zichzelf of anderen kwaad zou doen. "Nee," zegt Jivaka, en Jivaka komt vervolgens tot de conclusie dat de monniken onberispelijk voedsel eten. De Boeddha beschrijft ook nog de vijf manieren waarop iemand die een levend wezen slacht voor de Boeddha of zijn discipelen, een zeer slechte daad begaat.

Monniken hoeven dus geen vegetarier te zijn, dat is wel begrijpelijk ook indien men weet dat een monnik zelf geen controle uitoefent over zijn voedsel: hij eet wat hem gegeven wordt. Wat als hij op zijn aalmoesronde alleen maar een stukje vlees krijgt en niets anders? Of indien hij een zeer laag proteine-gehalte heeft? Een monnik kan niet zomaar om soja-bonen vragen, dat is in sommige regios ook een zeer ongebruikelijke vorm van voedsel. Daarom dus mag een monnik vlees eten indien dat vlees toegestaan is - dus zonder dat er een dier voor hem geslacht is.

In de praktijk kan men zeggen dat in de volgende gevallen het vlees aan de door de Boeddha gestelde voorwaarden voldoet: [1] vlees dat iemand voor eigen gebruik klaarmaakt en vervolgens met een monnik wil delen, of [2] voorverpakt vlees dat op een markt verkocht wordt, of [3] vlees van een dier dat op natuurlijke wijze stierf. In deze gevallen wordt geen enkel levend wezen specifiek voor een monnik geslacht, en is het hem toegestaan het vlees op te eten. Indien iemand vlees koopt voor een monnik, geldt dat de gever het vlees slechts koopt, en dus geen enkel geweld gebruikt noch opdracht daartoe geeft. Vandaar dat vlees gekocht op een markt toegestaan is voor een monnik. Overigens mag een monnik zelf natuurlijk geen vlees kopen: gebruik van geld is voor hem niet toegestaan (zie regel NP18, 19 en 20 van de Vinaya voor monniken).

Zelf heb ik ooit een vegetarische monnik flauw zien vallen - met een harde klap - omdat hij lichamelijk te zwak werd, mede door vegetarisch te eten. Het eten wat hij in het nabijgelegen Thaise dorpje aangeboden kreeg bestond uit slechts plakrijst, met een paar bananen en een koekje. En soms een stukje vlees of vis, maar dat at hij niet. Toen hij weer bijkwam en de dokter erbij gehaald was (die dokter heette overigens geen Jivaka), besloot die monnik wijselijk dat de situatie niet toestond dat hij slechts vegetarisch eten at.

Een ander relevant verhaal uit het Pali Canon gaat over Devadatta, de monnik die de Boeddha wilde vermoorden. Die monnik Devadatta stelde aan de Boeddha voor om alle monniken verplicht vegetarisch te laten zijn. Maar de Boeddha weigerde deze regel te maken: hij liet de keuze voor vegetarisme over aan de individuele monnik.

Lees de Jivaka Sutta

24 mrt. 2008

De Kama Sutra

Als we de woorden 'Kama Sutra' lezen, denken we waarschijnlijk eerst aan die andere Kama Sutra, uit het Hindoeisme. Maar de Kama Sutra van de Boeddha is zo'n 1000 jaar ouder - dat is dus de originele Kama Sutra. Zij behandelt hetzelfde onderwerp, maar vanuit een ander gezichtspunt bezien: het gevaar dat ligt in het nastreven van zintuiglijk genot, en het nadeel dat dit streven heeft.

De Kama Sutra is ook een van de oudste soetras van het Pali Canon, want zij behoorde tijdens het leven van de Boeddha al tot de verzameling soetras die vaak door de monniken gereciteerd werden (de zogenaamde Atthakavagga).

Lees de Kama Sutra

17 mrt. 2008

De Bandiet Angulimala

Angulimala werd geboren in een familie die behoorde tot de kaste van de Brahmanen. Volgens legendes ging zijn geboorte samen met een opmerkelijk verschijnsel: alle zwaarden, messen en andere ijzeren en metalen wapens glinsterden plotseling fel gedurende een aantal seconden. Daar vele mensen (inclusief de koning) dit waarnamen, kwamen zijn ouders dit ook te weten, en zij gingen naar een waarzegger voor advies. De waarzegger zei hun dat hun zoon een buitengewone capaciteit tot gewelddadigheid had. Hij adviseerde hun om hun zoon de naam Ahimsaka (De Geweldloze) te geven, om zijn ingeboren impuls tot geweld tegen te gaan, en dat deden zij.

Ahimsaka ging, volgens diezelfde legendes, toen hij oud genoeg was studeren bij een beroemde Brahmaanse leraar, en hij werd zijn beste student. Andere studenten echter werden jaloers op hem, en zij verspreidden geruchten dat Ahimsaka een geheime relatie had met de vrouw van die Brahmaanse leraar. De Brahmaanse leraar ging die geruchten na verloop van tijd geloven, werd boos, en gaf Ahimsaka een onmogelijke opdracht: "Dood 1000 mensen en bezorg me hun vingers. Wanneer je dat gedaan hebt, ben je afgestudeerd." De Brahmaanse leraar verwachtte dat Ahimsaka tijdens zijn zoek- en moordtocht naar 1000 vingers uiteindelijk ook zelf de dood zou vinden, en op die manier wilde hij wraak nemen.


Maar Ahimsaka had die buitengewone capaciteit tot gewelddadigheid, en was fysiek sterk en slim. Hij was daarom erg succesvol in zijn zoektocht naar vingers: hij doodde vele, vele mensen, en sneed van elke slachtoffer een vinger af. Deze vingers reeg hij aaneen in een krans die hij om zijn nek droeg. Zo verkreeg Ahimsaka beruchtheid, en de naam Angulimala: 'Vinger-krans.' Toen Angulimala zo in een groot bos leefde, en iedereen vermoordde die hij tegenkwam, zag de Boeddha tijdens zijn meditatie dat Angulimala ook een buitengewone capaciteit tot inzicht, spirituele vrede en heiligheid had.

Op dat punt begint de vertelling van de Angulimala Sutta, een van de meest tot de verbeelding sprekende verhalen van het Pali Canon, die al sinds duizenden jaren in de spirituele top 40 staat.

Lees de Angulimala Sutta

15 feb. 2008

Het Managen van Gedachten (2): Slechte Gedachten Verwijderen

De Vitakkasanthana Sutta (MN 20) gaat over de wijze waarop men slechte gedachten uit de geest kan verwijderen. Deze sutta gaat aldus dieper in op een van de aspecten van de voorgaande sutta: de Devdhavitakka Sutta (MN 19).

De Boeddha geeft in deze sutta vijf manieren die men kan gebruiken om slechte gedachten uit de geest te verwijderen. Hij zegt dat deze in een vaste volgorde gebruikt dienen te worden: eerst past men methode 1 toe, als er dan nog steeds slechte gedachten ontstaan gaat men naar methode 2, enzovoorts, totdat men methode 5 bereikt en slechte gedachten zeker zullen stoppen.

De vijf methodes zijn:

1. "Monniken, als er een in monnik, doordat hij over een bepaald onderwerp denkt, kwade en onheilzame gedachten ontstaan, verbonden met verlangen, haat en waanideeën: dan dient hij over een ander onderwerp te denken, verbonden met het heilzame."

2. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij over een ander onderwerp denkt dat verbonden is met het heilzame, dan dient hij het nadeel en gevaar van die gedachten te onderzoeken: 'Op déze wijze zijn mijn gedachten onheilzaam; op déze wijze zijn mijn gedachten afkeurenswaardig; op déze wijze hebben mijn gedachten lijden als gevolg.'"

3. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij het nadeel en gevaar van die gedachten onderzoekt, dan dient hij die gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te schenken."

4. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij ze vergeet en er geen aandacht aan schenkt, dan dient hij het tot stand komen van het denkproces van die gedachten te stillen."

5. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij het tot stand komen van het denkproces van die gedachten stilt, dan dient hij, met zijn tanden op elkaar en zijn tong tegen het gehemelte gedrukt, die gedachten met de geest te bedwingen, te onderwerpen en te verpletteren."

Wanneer men deze methodes toepast, zal men - zegt de Boeddha - die slechte gedachten verlaten. En met het verlaten ervan, wordt je geest innerlijk stabiel en rustig, eenpuntig en geconcentreerd.

Misschien is het goed om nog even te benadrukken dat wie methode vijf wil toepassen, eerst methodes 1 tot en met 4 achtereenvolgens succesvol dient te vervullen. Het succesvol ervan vervullen betekent niet dat slechte gedachten niet meer ontstaan. Het betekent dat ook al denkt men over heilzame onderwerpen, en ook al ziet men het nadeel en gevaar van onheilzame gedachten, en ook al is men in staat die kwade gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te besteden, en ook al stilt men het denkproces van die gedachten: toch ontstaan kwade gedachten nog steeds. Dan, als laatste en ultieme methode, dient men zuivere wilskracht en mentale en fysieke inzet te gebruiken om de geest te bedwingen, wat volgens de Boeddha in dat geval (indien men 1 t/m 4 reeds vervult heeft) het ontstaan van slechte gedachten zal voorkomen.

De Boeddha zegt dat wie deze methoden werkelijk toepast succesvol zal zijn; hij zal een meester zijn over de 'route van het denkproces': hij bepaalt waar het denkproces heengaat, en waar niet. Hij denkt de gedachten die hij wil denken, en de gedachten die hij niet wil denken denkt hij niet.

Volgens de Pali versie zegt de Boeddha vervolgens dat de persoon die meester is over de route van zijn denkproces, ook Verlichting bereikt heeft en geen lijden meer ervaart. Maar deze uitspraak staat niet in de Chinese versie, en deze uitspraak lijkt me een beetje voorbarig. Ik vermoed dat zij wellicht - als vergissing en per ongeluk - later aan de Pali versie van de sutta toegevoegd is, maar zekerheid kan men hier niet meer over verkrijgen. Als men de vijfde methode erg ruim interpreteert zou het wellicht ook betrekking kunnen hebben op Verlichting? Onwaarschijnlijk. Of anders dat Verlichting snel volgt als men slechte gedachten op deze wijze zou verwijderen? Dat denk ik wel ja. In ieder geval: ik heb de uitspraak laten staan, met een noot erbij.

Lees de Vitakkasanthana Sutta

Het Managen van Gedachten (1): Twee Soorten Gedachten

De Devdhavitakka Sutta (MN 19) en de Vitakkasanthana Sutta (MN 20) staan niet voor niets naast elkaar in de Majjhima Nikaya: zij gaan allebei over gedachten, en hoe die te 'managen' - om maar even een modern Engels woord te gebruiken.

De eerste van deze twee suttas, de Dvedhavitakka Sutta (nummer 19), is een autobiografisch verslag van de Boeddha waarin hij spreekt over wat hij deed toen hij nog een Bodhisatta was - dat was dus voordat hij een Boeddha werd. Hij had toen het idee om zijn gedachten in twee soorten te verdelen: slechte gedachten en goede gedachten:

"En toen, monniken, zette ik aan de ene kant (slechte) gedachten van sensueel verlangen, kwaadwillende gedachten, en gewelddadige gedachten. En aan de andere kant zette ik (goede) gedachten van afstand doen, goedwillende gedachten, en geweldloze gedachten."

Omdat hij nog niet verlicht was, had de Boeddha toen net als normale mensen zowel goede als slechte gedachten. Het verschil was dat hij buitengewoon gemotiveerd was om afstand te doen van zijn slechte gedachten, en bijzonder intensief gericht was op het cultiveren van wijsheid, het behalen van Nibbana en het verwijderen van verdriet. Telkens wanneer er een slechte gedachte in hem opkwam, maakte hij een soortgelijke overweging over die slechte gedachte:

"Deze gedachte van sensueel verlangen is in me ontstaan. Dit leidt tot kwelling van mezelf, tot kwelling van anderen, tot kwelling van beiden; het verhindert wijsheid, gaat samen met verdriet, en leidt niet tot Nibbāna."

De Boeddha zei vervolgens dat die slechte gedachten steeds verdwenen uit zijn geest als hij op deze wijze zijn slechte gedachten beschouwde.

Betreffende zijn goede gedachten maakte hij de tegenovergestelde overweging: dat die gedachten geen kwelling voor hemzelf noch anderen veroorzaakten, en dat zij naar wijsheid en Nibbāna leidden, en niet samengingen met verdriet. De Boeddha zei dat hij geen enkel nadeel of gevaar zag in goede gedachten. Maar hij zei ook dat hij geestelijk uitgeput zou raken indien hij constant zou denken, en dat hij dan geen goede concentratie zou hebben. Daarom bracht hij zijn geest tot innerlijk evenwicht en tot kalmte, en maakte haar eenpuntig en geconcentreerd. Uit de gelijkenissen van de koeienherder kunnen we opmaken wat de Boeddha met zijn goede gedachten deed: hij zegt dat hij slechts oplette dat die gedachten aanwezig waren, zonder dat hij ze in de een of andere richting hoefde te sturen.

Tegenwoordig claimen sommige stromingen van het Mahayana Boeddhisme vaak dat iemand die een Boeddha wil worden het eigen spiritueel welzijn compleet dient op te geven, en zich uitsluitend op het spiritueel welzijn van anderen dient te richten. Maar uit de voorgaande overwegingen van de Boeddha kunnen we goed zien dat de motivatie van de Boeddha niet zo was: hij verwijderde zijn slechte gedachten niet slechts voor het welzijn van anderen, maar ook voor het eigen welzijn: hij deed het voor het welzijn van beiden, en om wijsheid en Nibbana te verwerkelijken, en geluk te behalen.

Na deze verhandeling over goede en slechte gedachten vertelt de Boeddha dat hij, aldus handelend, eerste de meditatiestadia van de vier jhānas, en vervolgens de Drievoudige Kennis behaalde.

Tenslotte geeft de Boeddha de gelijkenis van de hertenkudde, waarin hij zegt dat hij streeft naar het welzijn van mensen. Hij zegt dat hij valstrikken verwijdert, het gevaarlijke en nadelige pad sluit, en het veilige, vredige en vreugdevolle pad openstelt. Dat veilige, vredige en vreugdevolle pad is natuurlijk een verwijzing van het onderverdelen van gedachten in slechte en goede gedachten, en ze vervolgens te managen volgens de instructie van de Boeddha, zodat men de jhānas en de Drievoudige Kennis zal behalen.

Lees de Devdhavitakka Sutta

5 feb. 2008

De Kalama Sutta

De Kalama Sutta is erg beroemd bij moderne Boeddhisten. Vooral deze ene beroemde regel is een van de meest gequoteerde uitspraken van de Boeddha:

"Kom dan, Kālāmas: Laat je niet leiden door geruchten, niet door horen zeggen, niet door traditie, niet door geschriften, niet door logische redeneringen, niet door logische gevolgtrekkingen, niet door het overwegen van redenen, niet door het na overpeinzen aanvaarden van een zienswijze, niet door waarschijnlijkheid, niet door de gedachte dat 'deze monnik is mijn leraar.'"

De reden waarom de Boeddha deze woorden sprak is dat zijn toehoorders (de Kalamas), net als wijzelf tegenwoordig, allerlei tegenstellende religieuze leringen hoorden. En zij twijfelden daardoor: Is er een hemel en hel of niet? Leiden slechte daden nu tot slechte gevolgen of niet?:

"Hierover nu, Eerwaarde, zijn wij onzeker en hebben wij twijfels: 'Wie van deze geëerde monniken en priesters spreekt de waarheid, en wie spreekt leugens?'"

Het antwoord van de Boeddha was dat hun twijfel begrijpelijk en geldig was: "Onzekerheid is in jullie ontstaan omdat er reden is voor twijfel."

Vervolgens geeft de Boeddha de Kalamas een lering die gericht is op iets wat belangrijker is dan geloven: de kwaliteit van het dagelijks leven: hoe leef je, en wat streef je na? De Boeddha moedigt zijn 'geloofkritische' toehoorders aan om zich in het bepalen van hun levenswijze niet te baseren op bronnen die buiten hunzelf liggen, en niet op de verschillende logische denkwijzen of op vermoedens betreffende de waarschijnlijkheid van iets. In plaats daarvan laat hij mensen vertrouwen in het eigen inzicht in wat goed en slecht is:

"Kālāmas, als jullie zelf weten dat: 'Deze dingen zijn onheilzaam; deze dingen zijn afkeurenswaardig; deze dingen worden bekritizeerd door de wijzen; wanneer men deze dingen aanvaart en uitvoert, leidt het tot nadeel en lijden': dan moeten jullie, Kālāmas, die dingen verlaten."

De Boeddha relateerd dit inzicht in wat goed en slecht is aan begeerte, haat en waanideëen: deze zijn zeker slecht. Iemand die die dingen in zich ervaart, zal daardoor immers een moord kunnen plegen, en kunnen stelen, liegen en vreemdgaan. Maar iemand die vrij is van begeerte, haat en waanideëen: die persoon moordt niet, steelt niet en liegt niet, en gaat niet vreemd. Daardoor leidt de afwezigheid van begeerte, haat en waanideëen volgens de Boeddha tot welzijn en geluk. En de Kalamas waren het daarmee eens.

Hierna geeft de Boeddha nog instructie over het leven met een geest vol liefde, mededogen, waardering en gelijkmoedigheid. Hij zegt dat iemand die aandachtig is en vrij is van begeerte, haat en waanideëen, zulk een liefdevolle geest zal hebben:

"Hij leeft met alles in de gehele wereld in elk opzicht doordrongen van een geest vol liefde: uitgestrekt, verheven, onbegrensd, vriendelijk en welwillend."


Tenslotte praatte de Boeddha nog een beetje over het geloven in dingen als hemel en hel, karma en wedergeboorte. Hij zegt dat of er nu echt een hemel en hel is of niet, niet echt uitmaakt voor wie geen begeerte, haat en waanideëen heeft: die persoon is er altijd zeker van dat het hem goed zal gaan. In elk van de volgende vier gevallen gaat het die persoon goed af:
#Als er een hemel en hel is, gaat hij naar de hemel want hij doet slechts goed en niets slechts.
#Als er geen hemel en hel is, dan leeft hij in het hier–en–nu gelukkig: zonder boosheid, zonder kwaadwillendheid, en zonder problemen.
#Als boosdoeners in de toekomst wel slechte gevolgen van hun daden zullen ondergaan, denkt hij: "Daar ik geen kwade daden verricht, hoe kan lijden mij dan treffen?"
#En als boosdoeners in de toekomst geen slechte gevolgen van hun daden zullen ondergaan, ziet de zuivere persoon dat hij in beide aspecten zuiver is: hij ontvangt geen slechte gevolgen (net als de boosdoener) maar hij doet ook niets slechts.

De Kalamas waren zeer blij met de lering van de Boeddha: zij werden lekenvolgelingen van hem.

Lees de Kalama Sutta

28 jan. 2008

Het in Beweging Zetten van het Dhamma–Wiel

De Dhammacakkappavattana Sutta is de eerste en een van de belangrijkste leringen van de Boeddha, waardoor de eerste discipel (Kondañña) het basisniveau van Verlichting bereikte. Deze sutta wordt in vele kloosters vaak gereciteerd, soms wel dagelijks.

De sutta geeft een gedetailleerde beschrijving van de Vier Edele Waarheden, met haar drie rotaties (fasen) en twaalf toestanden (combinaties). De rotaties betreffende elk van de Vier Edele Waarheden zijn [1] dat men ze aanvankelijk slechts kent, [2] dat men vervolgens weet wat ermee te doen, en de laatste rotatie is [3] het feitelijk vervullen (uitvoeren) van de Edele Waarheden. Dus 4 Edele Waarheden, vermenigvuldigd met drie rotaties: dan krijgen we het nummer 4*3=12. Dus twaalf toestanden of combinaties. In de oude tradities van Indiase filosofie en rechtskunde, noemde men een lijst waarin men zo alle mogelijke combinaties van twee varianten achterelkaar opsomt, een 'wiel'. Vandaar waarschijnlijk de benaming van deze sutta: Dhammacakka betekent het Dhamma Wiel: het is een verwijzing naar deze lijst van 12 mogelijke toestanden. Het heeft daarnaast ook een meer bekende en krachtige symbolische betekenis: een Wiel van Waarheid dat in beweging gezet is en door niemand meer gestopt kan worden.

Tijdens het vertalen kwam ik er ook achter dat Edele Waarheid ook de betekenis van 'Edele Werkelijkheid' draagt: een werkelijkheid die veredelt, indien men ermee doet wat de Vier Edele Waarheden onderwijzen. Bijvoorbeeld de 'werkelijkheid van de oorzaak van lijden': die werkelijkheid (verlangen) dient men te verlaten, en als men dat dan doet wordt men Edel. Een andere mogelijke vertaling is overigens 'Werkelijkheid van de Edelen'. Deze alternatieve vertalingen heb ik niet echt helemaal in de vertaling op kunnen nemen, je moet er een keuze maken en ik heb voor een meer gangbare vertaling gekozen, die er echter wel een beetje naar aangepast is.

Een belangrijk aspect van deze sutta is natuurlijk het onderscheid van drie wegen: twee extreme wegen die niet naar geluk leiden, en een Middenweg die wel naar geluk leidt. Hier begon de Boeddha zijn leer mee: hij paste zijn lering aan aan zijn publiek, want de vijf monniken waren volgers van het extreme pad van zelfkwelling (zelfpijniging). Dus eerst moest hij hun duidelijk maken dat zij niet het juiste middenpad volgden, maar een extreem en pijnlijk pad.

Na zijn lering over de Edele Waarheden, vertelt de Boeddha aan de vijf monniken dat hij vroeger nooit beweerde Volledig Verlicht te zijn, maar dat hij dat nu wel doet omdat hij nu de Edele Waarheden grondig kent. Het laatste gedeelte van de sutta geeft een beschrijving van enkele bovennatuurlijke dingen die plaatsvonden toen een van de monniken door deze lering de Visie van Dhamma bereikte (de Dhamma zelf zag): de gehele godenwereld stond op zijn kop, alsof er zojuist een doelpunt gescoord werd... En ook die tienduizendvoudige wereldsysteem beving natuurlijk, en dat licht dat de grootsheid van de goden overtrof. Daar vertelden ze ons vroeger ook niets over bij godsdienstles...

Maar goed deze lering van Boeddha gaat natuurlijk niet over goden, en niet over het dienen van een god, en ook niet over hoe onmetelijk een licht was dat mischien zo'n 2500 jaar geleden scheen. Het gaat over de uitleg en praktijk van de Vier Edele Waarheden, die ons uitleggen wat lijden precies is en waar het vandaan komt, en hoe men lijden kan beeindigen en geluk kan behalen.

Lees de Dhammacakkappavattana Sutta

24 jan. 2008

Anattalakkhana Sutta - Het Niet-zelf Kenmerk

De Anattalakkhana Sutta is de tweede toespraak die de Boeddha gaf na zijn verlichting. Hij gaf deze toespraak aan de groep van vijf monniken, in Sarnath, nabij Varanasi in India.

Deze toespraak vond plaats kort na zijn eerste toespraak (de Dhammacakkappavattana Sutta), en tijdens deze toespraak werden alle 5 de monniken die naar hem luisterden volledig verlicht.

De toespraak gaat over niet-zelf, (Pali: anatta, wat ook vertaald kan worden als: geen zelf, vrijheid van zelf, afwezigheid van zelf, zonder zelf). De Boeddha legt uit dat fysieke vorm (waaronder het lichaam) anatta is omdat we er soms ongemak en last van ondervinden. Als het lichaam echt van ons zou zijn, waarom zouden we dan ongemak of ziekte toelaten? Dat zouden we natuurlijk niet doen want dat is pijnlijk en onaangenaam. Dus de Boeddha zegt dat omdat het lichaam niet kunnen maken zoals we dat zelf willen (zonder pijn, ouderdom, dood, ziekte), het niet echt van onszelf is.

Hij legt verder uit dat omdat het lichaam veranderlijk is, het ook onbevredigend is: iets dat verandert, kan niet altijd aan onze wensen en verlangens voldoen. En omdat het lichaam zowel dus veranderlijk en onbevredigend is, kunnen we niet echt zeggen dat het werkelijk van onszelf is. Volgens de Boeddha is iets waar je geen volledige controle over hebt, niet echt van jezelf.

Deze uitleg geeft de Boeddha ook betreffende gevoelens, percepties, vormingen (intenties en wat daardoor gevormd wordt) en bewustzijn. Die zijn allen niet van onszelf, want we ondervinden er soms last van, en we kunnen ze niet maken precies zoals we willen. En ze zijn veranderlijk en onbevredigend: het is niet passend om dan te zeggen dat ze van onszelf zijn: ze zijn zonder zelf. De Boeddha moedigt ons aan om alles op de volgende manier te bezien: 'dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf'.

De Boeddha besluit de toespraak met de uitspraak dat een goed onderwezen edele discipel al deze dingen met juist inzicht overeenkomstig de waarheid beziet als: 'dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf'. Hij zal dan genoeg van alles krijgen, en passieloos worden. Wanneer hij passieloos is, wordt zijn geest bevrijd, en hij weet dat zijn geest bevrijdt is. Zo'n discipel beseft dan het volgende: 'Geboorte is ten einde, het religieuze leven is geleefd, wat gedaan moest worden is gedaan, er is geen verdere toestand van bestaan.'

De monniken waren blij met deze toespraak: dat is wel te begrijpen, want ze bereikten er alle 5 verlichting door.

Lees de Anattalakkhana Sutta...