15 feb. 2008

Het Managen van Gedachten (2): Slechte Gedachten Verwijderen

De Vitakkasanthana Sutta (MN 20) gaat over de wijze waarop men slechte gedachten uit de geest kan verwijderen. Deze sutta gaat aldus dieper in op een van de aspecten van de voorgaande sutta: de Devdhavitakka Sutta (MN 19).

De Boeddha geeft in deze sutta vijf manieren die men kan gebruiken om slechte gedachten uit de geest te verwijderen. Hij zegt dat deze in een vaste volgorde gebruikt dienen te worden: eerst past men methode 1 toe, als er dan nog steeds slechte gedachten ontstaan gaat men naar methode 2, enzovoorts, totdat men methode 5 bereikt en slechte gedachten zeker zullen stoppen.

De vijf methodes zijn:

1. "Monniken, als er een in monnik, doordat hij over een bepaald onderwerp denkt, kwade en onheilzame gedachten ontstaan, verbonden met verlangen, haat en waanideeën: dan dient hij over een ander onderwerp te denken, verbonden met het heilzame."

2. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij over een ander onderwerp denkt dat verbonden is met het heilzame, dan dient hij het nadeel en gevaar van die gedachten te onderzoeken: 'Op déze wijze zijn mijn gedachten onheilzaam; op déze wijze zijn mijn gedachten afkeurenswaardig; op déze wijze hebben mijn gedachten lijden als gevolg.'"

3. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij het nadeel en gevaar van die gedachten onderzoekt, dan dient hij die gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te schenken."

4. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij ze vergeet en er geen aandacht aan schenkt, dan dient hij het tot stand komen van het denkproces van die gedachten te stillen."

5. "Monniken, als kwade en onheilzame gedachten nog steeds in een monnik ontstaan wanneer hij het tot stand komen van het denkproces van die gedachten stilt, dan dient hij, met zijn tanden op elkaar en zijn tong tegen het gehemelte gedrukt, die gedachten met de geest te bedwingen, te onderwerpen en te verpletteren."

Wanneer men deze methodes toepast, zal men - zegt de Boeddha - die slechte gedachten verlaten. En met het verlaten ervan, wordt je geest innerlijk stabiel en rustig, eenpuntig en geconcentreerd.

Misschien is het goed om nog even te benadrukken dat wie methode vijf wil toepassen, eerst methodes 1 tot en met 4 achtereenvolgens succesvol dient te vervullen. Het succesvol ervan vervullen betekent niet dat slechte gedachten niet meer ontstaan. Het betekent dat ook al denkt men over heilzame onderwerpen, en ook al ziet men het nadeel en gevaar van onheilzame gedachten, en ook al is men in staat die kwade gedachten te vergeten en er geen aandacht aan te besteden, en ook al stilt men het denkproces van die gedachten: toch ontstaan kwade gedachten nog steeds. Dan, als laatste en ultieme methode, dient men zuivere wilskracht en mentale en fysieke inzet te gebruiken om de geest te bedwingen, wat volgens de Boeddha in dat geval (indien men 1 t/m 4 reeds vervult heeft) het ontstaan van slechte gedachten zal voorkomen.

De Boeddha zegt dat wie deze methoden werkelijk toepast succesvol zal zijn; hij zal een meester zijn over de 'route van het denkproces': hij bepaalt waar het denkproces heengaat, en waar niet. Hij denkt de gedachten die hij wil denken, en de gedachten die hij niet wil denken denkt hij niet.

Volgens de Pali versie zegt de Boeddha vervolgens dat de persoon die meester is over de route van zijn denkproces, ook Verlichting bereikt heeft en geen lijden meer ervaart. Maar deze uitspraak staat niet in de Chinese versie, en deze uitspraak lijkt me een beetje voorbarig. Ik vermoed dat zij wellicht - als vergissing en per ongeluk - later aan de Pali versie van de sutta toegevoegd is, maar zekerheid kan men hier niet meer over verkrijgen. Als men de vijfde methode erg ruim interpreteert zou het wellicht ook betrekking kunnen hebben op Verlichting? Onwaarschijnlijk. Of anders dat Verlichting snel volgt als men slechte gedachten op deze wijze zou verwijderen? Dat denk ik wel ja. In ieder geval: ik heb de uitspraak laten staan, met een noot erbij.

Lees de Vitakkasanthana Sutta

Het Managen van Gedachten (1): Twee Soorten Gedachten

De Devdhavitakka Sutta (MN 19) en de Vitakkasanthana Sutta (MN 20) staan niet voor niets naast elkaar in de Majjhima Nikaya: zij gaan allebei over gedachten, en hoe die te 'managen' - om maar even een modern Engels woord te gebruiken.

De eerste van deze twee suttas, de Dvedhavitakka Sutta (nummer 19), is een autobiografisch verslag van de Boeddha waarin hij spreekt over wat hij deed toen hij nog een Bodhisatta was - dat was dus voordat hij een Boeddha werd. Hij had toen het idee om zijn gedachten in twee soorten te verdelen: slechte gedachten en goede gedachten:

"En toen, monniken, zette ik aan de ene kant (slechte) gedachten van sensueel verlangen, kwaadwillende gedachten, en gewelddadige gedachten. En aan de andere kant zette ik (goede) gedachten van afstand doen, goedwillende gedachten, en geweldloze gedachten."

Omdat hij nog niet verlicht was, had de Boeddha toen net als normale mensen zowel goede als slechte gedachten. Het verschil was dat hij buitengewoon gemotiveerd was om afstand te doen van zijn slechte gedachten, en bijzonder intensief gericht was op het cultiveren van wijsheid, het behalen van Nibbana en het verwijderen van verdriet. Telkens wanneer er een slechte gedachte in hem opkwam, maakte hij een soortgelijke overweging over die slechte gedachte:

"Deze gedachte van sensueel verlangen is in me ontstaan. Dit leidt tot kwelling van mezelf, tot kwelling van anderen, tot kwelling van beiden; het verhindert wijsheid, gaat samen met verdriet, en leidt niet tot Nibbāna."

De Boeddha zei vervolgens dat die slechte gedachten steeds verdwenen uit zijn geest als hij op deze wijze zijn slechte gedachten beschouwde.

Betreffende zijn goede gedachten maakte hij de tegenovergestelde overweging: dat die gedachten geen kwelling voor hemzelf noch anderen veroorzaakten, en dat zij naar wijsheid en Nibbāna leidden, en niet samengingen met verdriet. De Boeddha zei dat hij geen enkel nadeel of gevaar zag in goede gedachten. Maar hij zei ook dat hij geestelijk uitgeput zou raken indien hij constant zou denken, en dat hij dan geen goede concentratie zou hebben. Daarom bracht hij zijn geest tot innerlijk evenwicht en tot kalmte, en maakte haar eenpuntig en geconcentreerd. Uit de gelijkenissen van de koeienherder kunnen we opmaken wat de Boeddha met zijn goede gedachten deed: hij zegt dat hij slechts oplette dat die gedachten aanwezig waren, zonder dat hij ze in de een of andere richting hoefde te sturen.

Tegenwoordig claimen sommige stromingen van het Mahayana Boeddhisme vaak dat iemand die een Boeddha wil worden het eigen spiritueel welzijn compleet dient op te geven, en zich uitsluitend op het spiritueel welzijn van anderen dient te richten. Maar uit de voorgaande overwegingen van de Boeddha kunnen we goed zien dat de motivatie van de Boeddha niet zo was: hij verwijderde zijn slechte gedachten niet slechts voor het welzijn van anderen, maar ook voor het eigen welzijn: hij deed het voor het welzijn van beiden, en om wijsheid en Nibbana te verwerkelijken, en geluk te behalen.

Na deze verhandeling over goede en slechte gedachten vertelt de Boeddha dat hij, aldus handelend, eerste de meditatiestadia van de vier jhānas, en vervolgens de Drievoudige Kennis behaalde.

Tenslotte geeft de Boeddha de gelijkenis van de hertenkudde, waarin hij zegt dat hij streeft naar het welzijn van mensen. Hij zegt dat hij valstrikken verwijdert, het gevaarlijke en nadelige pad sluit, en het veilige, vredige en vreugdevolle pad openstelt. Dat veilige, vredige en vreugdevolle pad is natuurlijk een verwijzing van het onderverdelen van gedachten in slechte en goede gedachten, en ze vervolgens te managen volgens de instructie van de Boeddha, zodat men de jhānas en de Drievoudige Kennis zal behalen.

Lees de Devdhavitakka Sutta

5 feb. 2008

De Kalama Sutta

De Kalama Sutta is erg beroemd bij moderne Boeddhisten. Vooral deze ene beroemde regel is een van de meest gequoteerde uitspraken van de Boeddha:

"Kom dan, Kālāmas: Laat je niet leiden door geruchten, niet door horen zeggen, niet door traditie, niet door geschriften, niet door logische redeneringen, niet door logische gevolgtrekkingen, niet door het overwegen van redenen, niet door het na overpeinzen aanvaarden van een zienswijze, niet door waarschijnlijkheid, niet door de gedachte dat 'deze monnik is mijn leraar.'"

De reden waarom de Boeddha deze woorden sprak is dat zijn toehoorders (de Kalamas), net als wijzelf tegenwoordig, allerlei tegenstellende religieuze leringen hoorden. En zij twijfelden daardoor: Is er een hemel en hel of niet? Leiden slechte daden nu tot slechte gevolgen of niet?:

"Hierover nu, Eerwaarde, zijn wij onzeker en hebben wij twijfels: 'Wie van deze geëerde monniken en priesters spreekt de waarheid, en wie spreekt leugens?'"

Het antwoord van de Boeddha was dat hun twijfel begrijpelijk en geldig was: "Onzekerheid is in jullie ontstaan omdat er reden is voor twijfel."

Vervolgens geeft de Boeddha de Kalamas een lering die gericht is op iets wat belangrijker is dan geloven: de kwaliteit van het dagelijks leven: hoe leef je, en wat streef je na? De Boeddha moedigt zijn 'geloofkritische' toehoorders aan om zich in het bepalen van hun levenswijze niet te baseren op bronnen die buiten hunzelf liggen, en niet op de verschillende logische denkwijzen of op vermoedens betreffende de waarschijnlijkheid van iets. In plaats daarvan laat hij mensen vertrouwen in het eigen inzicht in wat goed en slecht is:

"Kālāmas, als jullie zelf weten dat: 'Deze dingen zijn onheilzaam; deze dingen zijn afkeurenswaardig; deze dingen worden bekritizeerd door de wijzen; wanneer men deze dingen aanvaart en uitvoert, leidt het tot nadeel en lijden': dan moeten jullie, Kālāmas, die dingen verlaten."

De Boeddha relateerd dit inzicht in wat goed en slecht is aan begeerte, haat en waanideëen: deze zijn zeker slecht. Iemand die die dingen in zich ervaart, zal daardoor immers een moord kunnen plegen, en kunnen stelen, liegen en vreemdgaan. Maar iemand die vrij is van begeerte, haat en waanideëen: die persoon moordt niet, steelt niet en liegt niet, en gaat niet vreemd. Daardoor leidt de afwezigheid van begeerte, haat en waanideëen volgens de Boeddha tot welzijn en geluk. En de Kalamas waren het daarmee eens.

Hierna geeft de Boeddha nog instructie over het leven met een geest vol liefde, mededogen, waardering en gelijkmoedigheid. Hij zegt dat iemand die aandachtig is en vrij is van begeerte, haat en waanideëen, zulk een liefdevolle geest zal hebben:

"Hij leeft met alles in de gehele wereld in elk opzicht doordrongen van een geest vol liefde: uitgestrekt, verheven, onbegrensd, vriendelijk en welwillend."


Tenslotte praatte de Boeddha nog een beetje over het geloven in dingen als hemel en hel, karma en wedergeboorte. Hij zegt dat of er nu echt een hemel en hel is of niet, niet echt uitmaakt voor wie geen begeerte, haat en waanideëen heeft: die persoon is er altijd zeker van dat het hem goed zal gaan. In elk van de volgende vier gevallen gaat het die persoon goed af:
#Als er een hemel en hel is, gaat hij naar de hemel want hij doet slechts goed en niets slechts.
#Als er geen hemel en hel is, dan leeft hij in het hier–en–nu gelukkig: zonder boosheid, zonder kwaadwillendheid, en zonder problemen.
#Als boosdoeners in de toekomst wel slechte gevolgen van hun daden zullen ondergaan, denkt hij: "Daar ik geen kwade daden verricht, hoe kan lijden mij dan treffen?"
#En als boosdoeners in de toekomst geen slechte gevolgen van hun daden zullen ondergaan, ziet de zuivere persoon dat hij in beide aspecten zuiver is: hij ontvangt geen slechte gevolgen (net als de boosdoener) maar hij doet ook niets slechts.

De Kalamas waren zeer blij met de lering van de Boeddha: zij werden lekenvolgelingen van hem.

Lees de Kalama Sutta